Het mysterie van de vervallen molen

Voor een schrijfwedstrijdje heb ik onderstaande verhaal geschreven. Ik was er zelf wel tevreden over, dus het leek me leuk om het ook hier te posten. Ik zal er wel niet mee winnen, maar het is een stuk beter geworden dan ik initieel verwacht had.
Het verhaal zit achter de ‘read more’


André en Karin groeten hun vrienden, en stappen op hun fietsen om de lange rit naar Zuidlaren te maken. Het is al 03:00 geweest, en ze hebben er een gezellige avond met veel feesten en drinken op zitten. Beide zijn blij dat ze eindelijk hun examens hebben gehaald en fietsen al druk kletsend door de verlichte straten van Assen. Na enkele minuten komen ze aan de rand van de stad waar de donkere heide van de Drentse Aa zich voor het uitstrekt.

Gelukkig kunnen ze nog enigszins zien waar ze rijden, de hemel is helder, en een volle maan staat hoog in de lucht. Pas hier merken ze hoe stil het ‘s-nachts kan zijn en omdat ze beide ook redelijk vermoeid zijn fietsen ze een tijd lang in stilte verder.

Plots zien ze in de verte het silhouet van een molen voor zich opdoemen. Uit een van de hogere raampjes in de molen lijkt een gele gloed te komen. André, die wel vaker in dit gebied fietst vind dat nogal opvallend, de molen staat al jaren leeg en hij heeft er nog nooit een licht in zien branden.

André en Karin besluiten in hun overmoedige bui om eens dichterbij te gaan kijken. Ze nemen het landweggetje richting de molen, maar moeten na enkele meters toch afstappen, omdat de weg te onbegaanbaar blijkt om verder te fietsen. Ze zetten hun fietsen tegen een nabij gelegen boom en lopen verder richting de vervallen molen. Het licht uit het hoge raam lijkt te flikkeren en dansen als dat van een fakkel.

Als ze dichter bij de molen komen zien ze dat alle luiken en deuren op de begane grond gesloten zijn, op de 1e verdieping is echter dat ene open luik waarvandaan ze het gele licht zagen. Ze zijn doodstil en horen vanuit de molen een zacht gemurmer. André probeert voorzichtig de deur te openen, maar die blijkt goed dicht te zitten. Samen lopen ze een rondje om de molen, op zoek naar een weg naar binnen, of op zijn minst een blik op wat er binnen gaande is.

Terwijl ze een rondje om de molen lopen kijkt Karin plots geschrokken om. “Wat is er aan de hand?” vraagt André fluisterend. Karin wijst naar de weg waar ze vandaan kwamen “Ik zag daar iets bewegen, een licht.”.

André en Karin verbergen zich achter de molen, en turen angstvallig in de richting van de weg. Ze zien een lichtje dat zich tussen de bomen door verplaatst. Even later zien ze een koets die in de richting van de molen draait. Voor de koets, die zich geruisloos lijkt voort te bewegen zijn twee paarden gespannen, en bovenop brand een lantaarn.

Op de bok zit een donker figuur, gekleed in een lang gewaad, met een capuchon die het zicht op zijn gezicht onmogelijk maakt. André en Karin verbergen zich nog wat dieper achter de molen terwijl de koets op een paar meter van de deur van de molen tot stilstand komt.

Uit de wagen stappen twee andere gelijk geklede figuren, ze dragen echter iets groots over hun schouders. Ondertussen loopt de bestuurder van de koets richting de deur van de molen. Hij opent de deur, en laat de anderen binnen. Vervolgens neemt hij weer plaats op de bok en rijd er geruisloos vandoor.

Na enkele minuten hun adem te hebben ingehouden durven André en Karin vanuit hun schuilplaats te komen en weer zacht te praten. “Wat hadden ze over hun schouders?” vraagt Karin. “Het leken wel mensen, vastgebonden en met een zak over hun hoofd”, voegt André er aan toe.

Karin begint enigszins angstig te worden en zou het liefst zo snel mogelijk naar huis gaan, maar André ziet plots een spleet in een luik en stelt voor om eerst een kijkje te wagen. Hij is ook wel bang, maar zijn nieuwsgierigheid overwint het uiteindelijk van zijn angst.

Samen turen ze door de kier in het luik naar binnen, doodstil staan ze daar, terwijl hun ogen zich richten op wat er binnen in de molen gaande is.

In de grote open ruimte in de molen staat een vuurkorf. Rond deze vuurkorf staan zo’n 20 personen, gekleed in lange zwarte gewaden. In de cirkel bevinden zich ook twee grote molenstenen, waarop twee jonge vrouwen liggen. De vrouwen zijn gekleed in een weinig verhullende witte jurk en zijn met handen en voeten gebonden aan de molensteen.

De groep lijkt in een soort van gebed te zijn, er wordt in een onbegrijpelijke taal gepreveld en langzaam lopen de figuren rond de vuurkorf en molenstenen. De vastgebonden vrouwen lijken zich totaal
onbewust van wat er om hen afspeelt. Ze staren passief uit hun ogen en lijken niet te reageren op de omgeving.

Twee van de figuren in de groep zonderen zich af terwijl de rest door gaat met het prevelen van hun gebed. Even later komen de twee terug met ieder een klein kistje. Ze knielen naast de jonge vrouwen en maken de kistjes open. Uit het kistje halen ze een kelk, die ze plaatsen in een uitsparing in de molensteen. Een geultje in de molensteen loopt vanuit de uitsparing richting de bovenkant van de steen, waar de hoofden van de vrouwen op de steen liggen. Vervolgens halen ze ook een ivoren pot uit
het kistje. De pot heeft de vorm van een kat en is prachtig bewerkt en beschilderd tot in het kleinste detail.

De twee leiders van het ritueel halen de deksel van de potten, en plaatsen de potten naast het kistje. Tenslotte halen ze het laatste artikel uit het kistje, het is een gebogen dolk. De dolk heeft een
ivoren handvat, ingezet met edelstenen en is bewerkt met een kattenhoofd op het einde van het handvat.

Buiten bij het luik haalt Karin geschokt adem, André legt zijn hand even op haar mond en gebaart haar om zo stil mogelijk te zijn. Het lijkt erop dat de figuren binnen in de molen niets gehoord hebben en het ritueel vervolgt zonder dat er een woord wordt gewisseld.

Het gebed lijkt tot een hoogtepunt te komen, nu de personen rond het vuur steeds sneller en luider gaan prevelen. Ook de twee leiders die naast de jonge vrouwen zitten prevelen luider en luider terwijl ze heen en weer wiegen op hun knieën. Plots pakken ze beide de dolken op, en snijden ze met een snelle haal de kelen van de vrouwen door. Een fractie van een seconde komt er een ijzingwekkende gil uit de vrouwen, waarna het gebed abrupt stopt. Het enige geluid in de molen is het knisperen van het vuur.

Snel begint het bloed uit de halzen van de jonge vrouwen te gutsen, het verzamelt zich in het geultje in de molensteen, en stroomt langzaam maar gestaag in de kelk aan het eind van het geultje.

Als de stroom bloed uit de hals begint af te nemen worden nogmaals de dolken in de lichamen gestoken, ditmaal echter in de borst, waarbij met enig geweld, maar ook vakkundigheid een opening in de borstkas wordt gemaakt. De leiders snijden gelijktijdig het hart van de jonge vrouwen uit hun borstkas en na deze voor alle aanwezigen in de lucht te houden worden de harten in de ivoren potten geplaatst.

Het zien van al dit geweld en bloed wordt Karin te veel, en ze wordt onwel en zakt ineen. André probeert haar nog op te vangen, en hoewel dat enigszins lukt verliest hij hierbij ook zelf het evenwicht, waarbij hij tegen het luik botst. Zodra hij Karin goed beet heeft kijkt hij nogmaals kort door de kier in het luik. Tot zijn schrik ziet hij alle personen in de molen in zijn richting kijken. De leiders wijzen enkele
personen aan, en gebaren hen richting de deur.

André pakt Karin snel beet, en terwijl zij nog wat zwakjes in de benen is zetten ze het op een lopen in de richting van hun fietsen. Achter zich horen ze de deur van de molen open gaan en het geluid van rennende voetstappen dichterbij komen. Ze vluchten de bosjes in, op zoek naar hun fietsen.

Eenmaal bij de boom aangekomen waar hun fietsen tegenaan hebben gezet springen ze zo snel als ze kunnen op de fiets en vliegen ze er vandoor in de richting van de weg, en hun originele eindbestemming. André kijkt nog eenmaal om en ziet dat ze nog gevolgd worden door vier van de gewade figuren. Nu ze echter op de fiets zitten lijken ze langzaam maar zeker afstand te winnen.

Na een half uur gefietst te hebben, en in het zicht te zijn gekomen van Zuidlaren durven ze pas weer rustiger te gaan fietsen. Bij een bankje langs de weg proberen Karin en André op adem te komen, maar
echte rust kunnen ze nog niet vatten. Na een kort overleg over wat ze nu daadwerkelijk ervaren hebben besluiten ze zo snel mogelijk door te fietsen en de wachtmeester in te lichten over de gebeurtenissen in de vervallen molen.

Na nog enkele minuten fietsen komen ze aan bij het huis van de wachtmeester. In het hele dorp is nog geen lichtje te zien, maar gelukkig begint het langzaam licht te worden terwijl de vogels al druk van de daken fluiten. Wild kloppen André en Karin op de deur van het huis van de wachtmeester. Na enkele ogenblikken zien ze in het huis een licht aan gaan, en horen ze binnen wat gestommel. Langzaam wordt de voordeur open gedaan door een in kamerjas gehulde wachtmeester. “Waar is al die drukte goed voor op de vroege ochtend” vraagt de nog slaperige wachtmeester.

André en Karin beginnen druk door elkaar heen een onsamenhangend verhaal te vertellen. Na een paar seconden onderbreekt de wachtmeester hen, aangezien hij er op deze manier niet veel van gaat begrijpen. “Kom eerst eens binnen en ga even rustig zitten, dan zal ik mijn vrouw vragen een kopje thee voor jullie te zetten.” zegt de wachtmeester terwijl hij de jongeren binnen laat.

Na een kopje koffie, en wat geruststellende woorden van de wachtmeester en zijn vrouw komen André en Karin langzaam tot rust, waarna ze samen het verhaal van de afgelopen nacht proberen te vertellen. De wachtmeester luistert aandachtig, en schrijft alle details op, maar heeft toch grote moeite met de geloofwaardigheid van het verhaal. Nadat André en Karin hun verhaal hebben gedaan verzoekt de wachtmeester ze om eerst maar eens naar huis te gaan, om hun ouders niet ongerust te maken, en eens goed te gaan slapen terwijl de wachtmeester op onderzoek kan gaan in de molen.

André en Karin gaan beide naar huis en proberen zo goed en zo kwaad als het gaat nog enige nachtrust te vinden, maar beide kunnen de gebeurtenissen van de afgelopen nacht moeilijk achter zich laten.

‘s Avonds worden ze beide opgeroepen om naar de wachtmeester te komen, die die dag naar de vervallen molen was geweest. Aangekomen bij de wachtmeester vertelt hij hen wat hij daar gevonden heeft: “Ik weet niet wat voor geintje jullie vannacht aan het uithalen waren, maar toen ik vanmorgen bij de vervallen molen kwam heb ik geen enkel deel van jullie verhaal kunnen bevestigen. De deur van de molen zat klem, maar nadat ik binnen in de molen was werd ik voornamelijk verwelkomd door jaren oude spinnenwebben, wat geschrokken vleermuizen en verdwaalde ratten. Ik heb geen tekenen gezien van vuurkorven, molenstenen of gewade figuren en al helemaal niet van vermiste mensen, bloed of lijken.”

André en Karin kunnen hun oren niet geloven en blijven bij hun verklaring van die ochtend. De wachtmeester kan niets anders doen dan ze naar huis te sturen om eens goed na te denken over waar ze mee bezig waren. Met het advies om in het vervolg misschien iets minder diep in het glaasje te kijken, en minder te experimenteren met verboden middelen gaan André en Karin verdwaast weer richting huis.

Einde

Epiloog

Jaren later slaat op een stormachtige nacht de bliksem in de molen in. Bij de brand die deze inslag tot gevolg heeft brand de molen volledig af. Enkele weken later wordt er bij het slopen en opruimen van de
laatste stukken van de molen een ontdekking gedaan door de werkers. Ze stuiten op een verborgen ruimte onder de vloer van de molen. In de muffe ruimte vinden ze tientallen skeletten onder lagen stof, sommige al honderden jaren oud.

Be Sociable, Share!